Causerie " Het gerief van de bierbrouwer"
Producenten van brouwerijmachines en -benodigdheden in
Vlaanderen, Brussel en Wallonië
door Frank Becuwe

Eeuwenlang was
de brouwerij(-mouterij) een ambachtelijk, op empirische leest geschoeid
bedrijf. De brouwerij- als ook de mouterijuitrusting waren
rudimentair. De brouwinstallatie bestond in de regel uit een koud- en
warmwaterketel, een roer- of beslagkuip, een brouw- of kookketel (met
wortfilter), een koelschip, een gijlkuip en een aantal gistingsvaten,
gistkuipjes, biertonnen en bierstellingen. Daarnaast was ook – zoals in de
catalogus van het Mout- & Brouwhuis de Snoek uitgebreid opgelijst en
beschreven – heel wat kleiner gereedschap aanwezig, zoals roerstokken, een
wortcontroleglaasje, een accijnzenlessenaar, accijnzengereedschap (zoals een
monsterpot, een afkoelpot, een thermometer en een densimeter), een
gistbierkan, een gistpot, een vislijmspuiter, houten of metalen bommen,
bomhamers, bomsleutels, bompapier of -lapjes, een ritsijzer, een
drijfhamer, borstels om de vaten en tonnen te reinigen en één of meer
bierbomen. Om het tonnenbier te vervoeren beschikte de brouwer over een
biersteekkar en/of een door een paard getrokken bierkar of -wagen. De
moutinstallatie beperkte zich tot een wanmolen, een weekkuip, een kiemvloer
en een ast met open vuur. Voor het keren van de gerst op de kiemvloer en het
groenmout op de eestvloer beschikte de brouwer-mouter over moutschoppen. Het
pletten van het mout gebeurde vóór de doorbraak van de moutcilindermolen
vanaf het laatste kwart van de 19de eeuw door middel van een
koppel maalstenen. Voor de aandrijving van deze installaties was men
eeuwenlang op uitsluitend kinetische krachtbronnen aangewezen. Doorgaans was
dit menselijke kracht. Voor bepaalde handelingen werd wel eens dierlijke
kracht aangewend. Zo werd het mout soms geplet in een rosmolen of een
paardenmanège.
In het zog van
de zich ontwikkelende grootbrouwerijen schakelden de kleine(re) brouwerijen
vanaf het einde van de 19de eeuw, mede door de opkomst van (semi-)dieselmotoren,
benzinemotoren, (zuig-)gasmotoren en electromotoren, meer en meer over op
mechanische drijfkracht, hetgeen voor een geleidelijke maar definitieve
mechanisatie van het ambachtelijke brouwbedrijf zorgde. Deze ontwikkeling
zorgde niet alleen voor een belangrijke schaalvergroting en concentratie
binnen de brouwerijsector maar leidde ook tot het ontstaan van
constructieateliers die brouwerijmachines bouwden en steeds verder
perfectioneerden. Cruciaal was dan ook de interactieve rol van deze
constructiehuizen in de technische en bijgevolg ook economische ontwikkeling
van de brouwerijsector. Desalniettemin krijgen deze machinebouwers en hun
machines in het huidige brouwerijenonderzoek zelden de aandacht die ze
verdienen.
Met ‘Het
gerief van de bierbrouwer’ belicht Frank Becuwe de vele Vlaamse, Brusselse
en Waalse constructiehuizen die zich tussen 1850 en 1950 in het bijzonder
tot het brouwbedrijf richtten. Ook West-Vlaanderen, waaronder ook Alveringem,
komt daarbij uitgebreid aanbod. Kortom, zeker een aanrader voor wie meer wil
weten over de nijvere Westhoek en ook in bier en bierbrouwen geïnteresseerd
is.
|