L.S.

Op 4 juli jl. stonden velen van ons, net zoals 15 jaar geleden, opnieuw verzameld rond de brouwerij De Snoek. In 1994 zag ik als jonge historicus één van mjn dromen gerealiseerd: de voormalige mouterij-brouwerij De Snoek een nieuwe toekomst geven als het brouwerijmuseum Mout- & Brouwhuis de Snoek.  Op zich wellicht een mooi, lovenswaardig initiatief, maar eigenlijk ging het om veel meer. Ooit had politieke inmenging ervoor gezorgd dat ik in de economisch moeilijke jaren 1980 naast een job van opbouwwerker in de Westhoek greep. Om aan te geven wat ik vanuit die job graag voor mijn geboortestreek had gedaan, schreef ik dan maar het boekje ‘De Happy Westhoeker’. Hierin zette ik mijn visie op de toeristische ontwikkeling van de Westhoek, de laatste aaneengesloten open ruimte in Vlaanderen, uiteen. Centraal in dit pleidooi stond de ontwikkeling van het materieel en immaterieel erfgoed van deze regio: mijn inziens konden het landschappelijk en bouwkundig erfgoed in combinatie met de vele menselijke verhalen die er achter schuilgaan, een belangrijke hefboom betekenen op het vlak van de leefbaarheid, de toeristische en dus ook economische ontplooiing van de Westhoek. Ofschoon toen erkend als ontwikkelingsgebied was men zich in de Westhoek van deze latente troef nog helemaal niet bewust. Integendeel, het pleidooi voor een ontwikkeling van de Westhoek op basis van zijn intrinsieke waarden, werd door velen afgedaan als een bevlogen maar theoretisch, onhaalbaar model. Bij mij wakkerde deze houding des te harder het vuur van het engagement aan. Om te bewijzen dat de uitgestippelde weg wel te bewandelen was, werd rond de Fortemse mouterij-brouwerij De Snoek een concreet cultuurtoeristisch project opgezet. Vanuit industrieelarcheologisch oogpunt was deze site  immers uniek in Vlaanderen: zowel de mouterij als de brouwerij herbergt een nog volledig intakte 19de-eeuwse installatie. Tot aan de Eerste Wereldoorlog trof men in omzeggens elke Vlaams dorp minstens één dergelijke ambachtelijke brouwerij aan. Evoluties zoals de Groote Oorlog, de geleidelijke globalisering van de brouwnijverheid en de hoge koperprijzen tijdens de Koreaanse oorlog hebben er echter voor gezorgd dat ze allemaal ofwel verdwenen ofwel in die mate moderniseerden dat ze hun 19de-eeuwse gewaad volledig hebben afgelegd. In de mouterij-brouwerij De Snoek bleef alles echter bewaard door een mengeling van conservatisme, zuinigheid en niet in het minst een uitgesproken liefde voor erfgoed. Met het in erfpacht nemen in 1989 van de mouterij-brouwerij De Snoek van de familie Derick-Trenteseaux werd de eerste cruciale stap gezet, in 1991 volgde de bescherming als monument van de gehele brouwerijsite, gemeentelijke, provinciale, Vlaamse en Europese restauratie- en herbestemmingskredieten werden geleidelijk bijeengebracht en – wat van het allergrootste belang  was – rond de brouwerijsite werden een aantal gelijkgestemde zielen verzameld. Een bende bezielde vrijwilligers, die evenmin ten volle de draagwijdte van een dergelijk erfgoedproject inschatten of konden inschatten, maar stap voor stap een intussen gemeenschappelijke droom werkelijkheid maakten.


Fig. 01 – Het Mout- & Brouwhuis de Snoek (met expositietoren als nieuwbouwuitbreiding)

Net zoals op 4 juli l. houd ik er bij deze aan om ook via deze Brouwbulletin van het Mout- & Brouwhuis de Snoek iedereen die sinds het begin van dit erfgoedproject met ons gesympathiseerd heeft, van harte te danken. Zonder die sympathie en steun was het Mout- & Brouwhuis de Snoek nooit jongvolwassen geworden. Onder die vele pleitbezorgers hebben in de jaren volgend op die droom, een aantal zich als vrijwilligers vanuit hun specifieke kunnen in het bijzonder onderscheiden.  Als voorzitter, die er intussen stilaan van droomt de fakkel door te geven aan de jonge generatie, wil ik  – met het risico enkele personen te vergeten (maar wie geen risico’s neemt, weet niet dat hij leeft) – in het bijzonder een aantal trouwe kompanen van toen en nu bij naam te noemen. Graag begin ik bij hen die ons intussen zijn ontvallen. Ik denk hierbij dankbaar terug aan mijn ma, die mij bij de realisatie van de Snoek niet alleen met raad maar evenzeer met daad heeft bijgestaan. Ondermeer weken lang heeft ze met haar schilderborstel De Snoek in de verf gezet. Ook mijn toenmalige buurman Gerard Pauwels en mede-Fortemnaar Ronny Costenoble waren altijd bereid om bij één of ander klusje te helpen. Dankbaar zijn ook mijn herinneringen aan Marianne Debruyne, die, ofschoon ongeneeslijk ziek, altijd  bereid was om te helpen. In 1995 heb ik dan ook onze museumcatalogus aan haar opgedragen.  Recenter ontvielen mij twee vrienden, met name Roger Lievens, die als deken-zendeling van onze Vlaamse confrérie Gilde van Sint-Arnoldus, met de roerstok in de hand de Vlaming opnieuw de rijkdom van onze Vlaamse biercultuur  bijbracht. Met John De Meulemeester ging dit jaar een tweede goede vriend heen. John was niet alleen een internationaal befaamd archeoloog maar ook een notoire ‘bourgondiër’ die wist welke uitzonderlijk rijke traditie  er achter onze Vlaamse bier schuilgaat. Hij was in 1985 dan ook onmiddellijk bereid, toen ik hem vroeg om voorzitter te worden van de toenmalige Werkgroep Industriële Archeologie in de Westhoek, deze functie in de beginjaren op zich te nemen. En last but not least kom ik bij mijn goede vriend, wijlen Daniël Derickx. Ooit heb ik een monografie aan hem opgedragen en hem hierbij een ‘monument van een mens’ genoemd. De herinneringen aan Daniël en aan zijn liefde voor erfgoed zijn mij zeer dierbaar. Vijftien jaar geleden zei hij op de officiële opening van het Mout- & Brouwhuis de Snoek in zijn korte maar zeer authentieke speech niet allen dat hij nooit had durven hopen op die dag, de dag dat zijn brouwerij effectief een nieuwe toekomst kreeg, maar ook dat die dag, 2 juli 1994 wel de mooiste dag in zijn leven was. Meer dan die echtheid waarmee Daniël dit zei en meende, heeft een erfgoedzorger niet nodig.
Van de strijdmakkers die wel nog in ons midden verkeren en in het verhaal van het Mout- & Brouwhuis de Snoek één of meer belangrijke bladzijden hebben geschreven of momenteel schrijven, wil ik expliciet mijn dank betuigen aan Filip Ameloot, mijn echtgenote Isabelle Becuwe-Vanrobaeys, mijn zus Karien Becuwe, mijn pa Paul Becuwe, mijn neef Peter Becuwe, mijn tante Lut Becuwe-Maes, onze Fortemse buren Maurits & Anita Boone, Filip Boury, brouwer Guido Debeerst, Claude De Beuckelaere, René & Thérèse Decorte, Joris Derickx, Etienne Desaever, Marc Dewilde, Chris Dochy, Gilbert Dolphen, Bernard Duflou, Francis Duflou, René Essel, Nicole Feys, Willy Figoureux, Kris Herteleer, Tom Lenaerts, Adriaan Linters, Patrick Maddens, Cecile, Bart, Sabine, Frank & Sofie Maeyaert, Jan & Anne-Marie Platteau-Delepierre, Stefaan Sampers, Johan Termote, Maurits Timperman, Roger, Marc & Detleff Timperman, Paulette Trenteseaux, Hendrik Sauvagie, Marika Strobbe, Godfried Vandenberghe, Chris Vandewalle, brouwer Piet Vandewalle, brouwer André Vandewoude, Pieter Vanhauwe, mijn schoonouders Bertrand & Odette Vanrobaeys-Verbaere, Freddy Verbrugghe, Catherine & Rudy Vereecke-Taverne, Rik Vernack, Willem en Corneel Wackenier.

Intussen is de toekomst van de voormalige mouterij-brouwerij De Snoek 15 jaar jong en wordt die nog altijd met hetzelfde enthousiasme door uitsluitend vrijwilligers gedragen. Dat de overheid dit uniek vrijwilligersproject nog altijd niet heeft ontdekt en nog altijd niet met beheersstimuli beloont, brengt deze vrijwilligers niet van de wijs. Dat ze gaan voor nog eens 15 jaar blijkt ondermeer uit de toeristische herprofilering  van het Mout- & Brouwhuis de Snoek die zich vooraf vanaf dit jaar aankondigt. De mouterij-brouwerij De Snoek is niet alleen een unieke, industrieelarcheologische site, het is ook de enige brouwerijsite in Vlaanderen die het verhaal van de dorst in de Groote Oorlog nog in een onvervalste, volledig authentieke omgeving kan vertellen. Complementair aan het verhaal van de Groote Oorlog nabij de Ieperboog heeft het IJzerfront immers een eigen, uniek verhaal te vertellen. Het Mout- & Brouwhuis de Snoek kondigt zich voortaan dan ook uitgesproken aan als het museum-van-de-dorst-in-de Groote Oorlog. Maar dit is evenwel niet alles, in de toekomst zal het Mout - & Brouwhuis de Snoek ook meer en meer fungeren als onthaalcentrum voor culturele activiteiten en evenementen die door derden worden georganiseerd. Hopelijk haalt de gemeente de samenwerking nog verder aan en promoveert ze dit erfgoedhuis tot het cultureel centrum van Alveringem? Een unieker en authentieker locatie is alvast mijlenver niet te vinden.

(Herwerking van de toespraak gehouden door voorzitter Frank Becuwe op 4 juli 2009 ter gelegenheid van het 3de lustrum van het Mout- & Brouwhuis de Snoek)

[F.B.]

Een terugblik...


Fig. 02 – Tentoonstelling ‘“Goed genoeg voor de soldaat. Het verhaal van de dorst in de Groote Oorlog’. Eén van de vele sprekende fotos: Soldaten op verlof in Parijs, voorjaar 1915.

Het feest van Sint-Arnold aan het Front

Ook op 16 augustus jl. was het Feest van Sint-Arnold aan het Front naar jaarlijkse traditie een schot in de roos. In aanwezigheid van Vlaams minister Geert Bourgeois, ondermeer bevoegd voor de materies onroerend erfgoed en toerisme,werd het boek ‘Bier aan het IJzerfront. Het verhaal van de dorst in de Grote Oorlog’ officieel voorgesteld. Net als met de tentoonstelling ‘Goed genoeg voor de soldaat’ wenst het Mout- & Brouwhuis de Snoek met dit boek het immaterieel erfgoedverhaal dat achter de brouwerijsites in de Westhoek, het tijdens de Eerste Wereldoorlog onbezette landsgedeelte, schuilgaat, voor een breed publiek ontsluiten. De commentaar van minister Bourgeois op dit initiatief was dan ook zeer lovend. Vol verwachting wordt dan ook uitgekeken naar zijn beleidsinitiatieven die tot synergieën leiden tussen toerisme en erfgoed. Vanuit de Snoek hopen wij alvast op een optimalisering van de ontsluiting van ons erfgoed (waaronder dat van de Eerste Wereldoorlog) en in dit verband een beheersmatige ondersteuning van  open-monumenten (zoals het Mout- & Brouwhuis de Snoek, ….).
 Met de muzikale intermezzo’s van Marie en Cornelia Becuwe en met de heropvoering van het stukje fronttheater ‘En de brouwer…, hij brouwde voort’ door de Beauvoordse Sint-Omaarsgilde werden tot slot de krieken  op de feesttaart gezet. Een gezellige barbecue met als toemaatje koffie en overheerlijke Fortemse schrapnels sloten het feestgebeuren af.


Fig. 03 –  Minister Geert Bourgeois te gast in het museum-van-de-dorst -in-de Groote Oorlog

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 



Fig. 04 –  Soldaat Achiel, een unieke getuige, in gesprek met uitgever en auteur.

 

 

 

 

 

 

 

 

De daguitstap naar Tielt en omgeving.
Op zaterdag 19 september jl  trok het Mout- & Brouwhuis de Snoek onder leiding van historisch geograaf Godfried Vandenberghe naar Tielt en omgeving. Was het bezoek aan de huisbrouwerij Sint-Cannarus in Gottem een dorslavende verademing, dan was de wandeling doorheen het Tielt van de Eerste Wereldoorlog eens temeer een boeiende en leerrijke kijk op het leven voor de Kupe, het bezette landsgedeelte. De wijze waarop Tielt dit verhaal ontsluit, kan alleen maar toegejuicht worden!

Causerie ‘Brouwerijen en brouwerijgeschiedenis in de Westhoek’
Op zondag 27 september 2009 hield onze gildedeken Chris Vandewalle voor de VVF-Westhoek in de bibliotheek van Koksijde een zeer gesmaakte causerie over de de brouwerijgeschiedenis van de Westhoek . Proficiat aan de initiatiefnemers.

Een blik vooruit…

Ook in de herfst heeft het jaarprogramma van het Mout- & Brouwhuis de Snoek, opgebouwd rond het thema ‘Het Mout- & Brouwhuis de Snoek én de Groote Oorlog’ nog enkele boeiende activiteiten in petto, waarop jullie aanwezigheid ons veel plezier zou doen.


Fig. 05 – Het boek ‘Bier aan het IJzerfront’.

Op deze causerie neemt Frank Becuwe u mee naar de Westhoek tijdens de Eerste Wereldoorlog. In dit enige stukje onbezet België ‘krioelde’ het toen van de Vlaamse, Waalse, Engelse, Schotse, Ierse, Australische, …. soldaten. Wie wat ondernemingszin had, sloeg munt uit hun aanwezigheid door te wassen voor de soldaten,  een winkel of café te openen of een handeltje in Franse en Engelse bieren op te zetten. Hun honger moest immers gestild en hun dorst gelest. Door de grote vraag naar bier brouwden veel brouwers maar liefst vier- tot vijfmaal zoveel als voor de oorlog. In Eggewaartskapelle verelfvoudigde brouwer Deeren in 1916 zelfs zijn productie. Samen met de bierbrouwerijen deden ook de herbergen gouden zaken, ook al waren de openingsuren gereglementeerd en sloegen de dronken soldaten de boel wel eens kort en klein. Verlof na verlof zochten de soldaten er de ‘troost van slecht bier’. Ook al wisten ze dat de bierbrouwers het bier wel eens in hun maag lieten gisten. Dat ze evenwel niet mochten overdrijven ondervond de brouwer van de Fortemse mouterij-brouwerij De Snoek. Op één van zijn avondlijke herbergbezoeken wou hij niet van zijn eigen brouwsel drinken, dat vaartwater was goed genoeg voor de soldaten, maar niet voor hem. De aanwezige soldaten vonden dit al te gortig en bekogelden nog dezelfde avond zijn statige brouwerswoning met kasseien. Ging het korte gewin effectief ten koste van de kwaliteit, de werkelijkheid was toch genuanceerder dan deze anekdote laat vermoeden. Deze causerie vertelt dan ook niet alleen een ander  relaas van de oorlog, het brengt ook het verhaal van en door doodgewone mensen die elk op hun manier probeerden te overleven in een al te langdurige oorlog. 

Voor wie dit verhaal van de dorst in de Grote Oorlog thuis nog eens wil nalezen, kan tijdens de pauze het boek Bier aan het IJzerfront. Het verhaal van de dorst in de Grote Oorlog (uitgegeven door de uitgeverij De Klaproos i.s.m. het Mout- & Brouwhuis de Snoek) aankopen en laten signeren door de auteur.
Tijdens de pauze wordt door het Mout- & Brouwhuis de Snoek ook een gratis Snoek-bier geserveerd.

Plaats: Bibliotheek Alveringem, Oud-Gemeentehuis, Dorp, Alveringem.
Inkomprijs: leden: 2,00 euro / niet-leden: 4,00 euro

(Organisatie: de Sectie Historiek van de Koninklijke Vlaamse Chemische Vereniging,  de Chemie Historische Groep van de Koninklijke Nederlandse Chemische Vereniging, de Nederlandse Procestechnologen (NPT) en de Katholieke Hogeschool Leuven (KHLeuven)).

Doelgroep: wetenschapshistorici en technologen en iedereen die zich aan de geschiedenis van het brouwen interesseert

Programma:

Datum: zaterdag 21 november 2009, 10u30 -17u00
Plaats: Katholieke Hogeschool Leuven,  Campus Gasthuisberg, Leuven
Inlichtingen: www.kvcv.be, www.kncv.nl of www.npt.nl
Vanuit het Mout- & Brouwhuis de Snoek wordt aan dit symposium deel genomen.

Om het feestjaar af te ronden nodigt het Mout- & Brouwhuis de Snoek iedereen uit op zijn Kerstdrink. Voor wie er vorig jaar bij was, kent de authentieke gezelligheid van deze bijeenkomst in de Snoek. Op de kerstdrink van 19 december a.s. zal Père Noël op deze vroege Christmas- avond een stille nacht beleven te samen met Baltazar, Gaspar en Melchior en zal menig kerstbier te proeven zijn. Tussen de kerstbierendegustatie door zal opnieuw kunnen gegraaid worden naar echter Fortemse Lukken, Fortemse Schrapnels, enz.  in de koekendoos van de brouwerin.  En met een beetje geluk weet u in de met muziek gevulde brouwerij, van de deskundige bierologen misschien wel alle  brouwgeheimen die achter al deze kerstbieren schuilgaan, te ontfutselen.

Plaats: Mout- & Brouwhuis de Snoek, Fortem (Alveringem).
Inkomprijs: leden: 5,00 euro / niet-leden: 8,00 euro.

Een blik op 2010...

…. En intussen liggen ook het jaarthema en -programma voor volgend jaar vast. In het Mout- & Brouwhuis de Snoek wordt 2010 het jaar van de Hop, het groene goud van de brouwer. Onze centrale gast wordt Guido Vandermarliere, die zich sinds jaren inzet voor het behoud van het hoperfgoed in Vlaanderen en zich daartoe met een ongekende gedrevenheid verdiept in de geschiedenis van de Vlaamse hopcultuur. Het belooft opnieuw voor alwie in de Vlaamse biercultuur geïnteresseerd is, een boeiend jaar te worden.  Wacht dan ook niet om de activiteiten die rond dit thema worden opgezet, in je agenda te blokkeren:

Speciaal voor de bier- en brouwmeesters van de Gilde van Sint-Arnoldus:  volgende jaar worden bovenop dit programma nog twee speciale activiteiten voorzien, namelijk een uniek brouwerijbezoek en een kapittelbanket.

Over al deze activiteiten zal je in het eerste nummer van de tweede jaargang van Het Brouwbulletin v/h Mout- & Brouwhuis de Snoek uitgebreider geïnformeerd worden.

[F.B. ]

De Ateliers de Construction De Coster - Van De Velde in Tielt


Fig. 06 – Het overdeurtje uit de gieterij De Coster-Van de Velde in Tielt.

Een voor het West-Vlaamse brouwbedrijf belangrijk toeleveringsbedrijf was het constructieatelier De Coster-Van de Velde in Tielt. In het Mout- & Brouwhuis de Snoek herinneren vandaag nog de gietijzeren overdeurtjes onder de kopen brouw- en waterketels nog aan dit bedrijf. Ook op andere brouwerijsites zijn van deze firma nog materiële sporen bewaard, zoals een gietijzeren koelschip in de brouwerij Roelandts in Wakken.

Het constructiebedrijf De Coster-Van de Velde werd in 1867 opgericht door de Wingenaar Désiré De Coster (1840-1907), die zich kort na zijn huwelijk met Amelie Van de Velde als smid in Tielt vestigde. Zijn smidse in de Sint-Jansstraat was ook uitgerust met een “yzerdraeyer met molen bewogen door een peerd”. In 1882 ging hij over tot de inrichting in de oude fabriek Vandevijver-Sierens in dezelfde straat van een ijzergieterij en werkplaatsen voor het maken van “yzeren pompen, mecanieken, …”. Voor de aandrijving van zijn machines schafte hij zich een stoommachine van 6 pk aan. Nauwelijks twee jaar later kocht hij de gebouwen van Dominique Soenen-Vandekerckhove in de Klijtenstraat. De nabijheid van het station was een belangrijke troef voor het expansieve bedrijf, dat intussen met een tweede stoommachine was uitgebreid. Van het klassieke gieterijwerk, namelijk het maken van hekkens, rioolroosters, pilasters, enz. evolueerde de hoofdactiviteit geleidelijk naar de constructie en reparatie van stoomtuigen voor agrarisch en industrieel gebruik. Omstreeks 1892 werd de stoommachine in de gieterij vervangen door een moderne versie van eigen makelij en in 1896 werd nog een derde stoommachine van de Gentse constructeur Emile Mécoen geplaatst. Omstreeks 1892 werden de constructieateliers voorzien van elektrische verlichting. Intussen had het bedrijf zich gespecialiseerd in de bouw van stoommachines (1), petroleum- en gasmotoren evenals in de constructie van in het bijzonder maalderij-, mouterij-, brouwerij- en stokerijuitrustingen. Ook vervaardigde het bedrijf kleinere landbouwtoestellen. Een voorbeeld daarvan is de door E. De Coster-Vandevelde gebouwde boterkarn in de rosmolen Feys, die recentelijk van Hoogstade naar Meulebeke verhuisde  (2).

In 1902, toen Désiré De Coster zich uit het bedrijf terugtrok, namen de zonen Joseph en Henri, die intussen al hun eerste industriële sporen hadden verdiend als fietsen- en autobouwers, de leiding van het bedrijf over. Omtrent die tijd was het bedrijf De Coster-Van de Velde ook exclusieve verdeler voor West- en Oost-Vlaanderen van de gas- en benzinemotoren van de S.A. des Ateliers de Construction de Boussu (3). In 1912 werden de Ateliers de Construction De Coster-Van de Velde ingevolge financiële moeilijkheden en het zich terugtrekken uit het bedrijf van Joseph De Coster omgevormd tot Etablissements De Coster-Van de Velde Société Anonyme. Na het overlijden van de zaakvoerder Henri De Coster in 1924 bleef het bedrijf nog enkele jaren operationeel om vermoedelijk omstreeks 1932 ontbonden te worden (4).

Noten

(1) Van de Ateliers de Construction De Coster-Van de Velde werd een stoommachine geplaatst in bijvoorbeeld de maalderij Deschietere (1901) in Kerkhove (Provinciaal Archief, Brugge, 3de afdeling, 1997-25-m).
(2) Denewet 2005, 186-195.
(3) De ‘Ateliers de Construction de Boussu’ was eigendom van de familie Dorzée, afstammelingen van één van de eerste werktuigkundigen in de Borinage. Dit bedrijf en de Ateliers du Grand-Hornu waren na 1830 de twee belangrijkste ondernemingen in de Borinage (Bruwier 1995, 133).
 (4) Dewanckel 1988, 107-127.

Literatuur

Bruwier, M. 1995 – De dynamische relatie tussen de industriële vooruitgang en de machinebouw, in: B. Van der Herten, M. Oris & J. Roegiers (red.), Nijver België. Het industriële landschap omstreeks 1850, Antwerpen – Brussel: 129-143.

Denewet, L. 2005 – Pleidooi voor de bescherming van onze laatste rosmolens. Rosmolen Feys uit Hoogstade (1867) herbouwd in Meulebeke, in: Molenecho’s. Vlaams tijdschrift voor Molinologie, 33, 4: 186-195.

Dewanckel, K. 1988 – Spitstechnologie in Tielt. Het bedrijf De Coster-Vande Velde (1867-1932), in: De Roede van Tielt, 19, 2-3: 107-127.

[F.B.]

Fig. 07 -  Manten, Kalle en Netebuk op etiket.

Kunnen Manten en Kalle Netebuk in toom houden in 't Brouwkot.

De naam ’t Brouwkot verwijst naar een oude schuur die volledig gerenoveerd werd om een brouwinstallatie te kunnen huisvesten. Manten, Kalle en Netebuk zijn drie bieren van de huisbrouwerij ’t Brouwkot van het restaurant ’t Rusteel te Gullegem. Ze starten met het huisbier van ’t Rusteel de Netebuk. Daarna kwamen Manten en Kalle, twee stadsbieren voor Stad Kortrijk. Manten en Kalle, de twee uurslagers, staan aan de oosterzijde van het Belfort. De laatste creatie is ‘De Heerlijkheid’ een bier als ondersteuning van het sociale project van de Open Boerderij de Heerlijkheid van Heule.
Sedert de herfst van 2007 roeren Kim Ollevier en Bjorn Desmadryl met de roerstok in ’t Brouwkot. De samenwerking tussen de brouwers Björn en Kim is tot stand gekomen in taverne / restaurant  ’t Rusteel waar beiden een cent bijverdienden tijdens hun studies. Kim heeft tijdens haar studies de grondslagen van het brouwen geleerd, die ze dan samen met Björn in de praktijk bracht in hun garage thuis.
Bij mij laatste bezoek in juni jl. wist de uitbater van ’t Rusteel te vertellen dat de huisbrouwerij ‘t Brouwkot niet alleen een nieuwe brouwinstallatie uit Zwitserland zal hebben maar ook het gebouw uitgebreid zal worden. Zo zal ook de Netebuk meer plaats hebben om zijn bokkensprongen uit te voeren. [ B.D. ]

Djoos Wiel kon zijn dagwerk niet beginnen zonder ten minste een halve bak of drie binnen te lappen. Op een maandagochtend was hij in de Goude Viool binnengegaan. "bazin", zei Djoos, "een halve bak, alsjeblieft"."God zegent je, Djoos", zei de bazin met een druppeltje op haar plateel. "Kijk, bazin", zei Djoos en hij stak zijn vinger in het druppelglaasje, "dat is voor mij 't gapen niet waard, mijn kleine vinger likt dat uit." "En bovendien", zei Djoos en hij pakte 't glaasje, zette het op de zulle van de voordeur en gaf het een wip dat het al d'andere kant van de straat vloog, " je plaats is hier niet. Als men zo klein is, komt men in geen herbergen".

P.S. Kent u goeie biermoppen, stuur ze dan door met vermelding ‘biermoppen’ naar frank.becuwe@mino.be. Wij nemen ze graag in onze nieuwsbrief op.

Over paarden en brouwers

Fig. 08 -  Toen geen vreemde combinatie. Eeen temperamentvol Boulonnais-paard dat zich trots naar de fotograaf wendt. Als veulen werd het over de grens gesmokkeld door een ijverige 'beestemarchand' want het ras werd vooral in de streek van Boulogne-sur-Mer gefokt.

Geen paard zonder bier
Een wit boerenpaard met daarachter de roestbruine bierkar klokt en dokkert door de straten van het stille dorp. Door de tinkelende tonen van de lege flessen in de houten bakken krijg je daar nog een vreemdsoortig ritme bovenop.
Izenberge leefde toen méér dan vandaag op straat, kinderen speelden midden de  kasseiwegen en tijdens de lange zomeravonden zaten tientallen gezinnen voor hun deur een praatje te slaan...
Eind jaren 60, begin 70 waren paarden heel normaal in het straatzicht. De vuilnis- en kolenvoerman Moes Maelstaf had een bruin exemplaar, een ‘gestuikter’ type met volumineus achterwerk dat steeds aan een zelfde tempo de weg naar de stortweide op- en afliep. Ook tijdens de winterdagen bij het thuisvoeren van de ruwe kolen blies de neus van het dier warme witte strepen de vrieslucht in.
De dekhengst van Jef Laleman was een op en top prijsbeest, roodgrijs met imposante poten en manen maar tegelijkertijd met een belachelijke dot als staart. Een échte winnaar zo bleek uit de vele foto’s in het interieur van vrouw Simonne waar we jaarlijks met de misdienaars paaseieren bedelden. Haar man trok trots maar te voet van boerderij naar boerderij. Het paard deed zijn werk en de voerman dronk een Rodenbach, een prachtig beroep! Soms bond hij het dier vast aan de deurklink van het café rechtover ons huis waar hij nog een laatste biertje aan zijn lippen plaatste... Met een klein rukje van zijn enorme kop trok het dier zich dan los om vervolgens solo het frisse gras naast het kerkhof af te bijten en alleen de weg naar huis te vervolgen. We waren verbaasd over de grote hoeveelheid urine die hij loosde op het pad naast de beukenhaag. De geur bleef er tijdens warme zomerdagen dagen hangen. Deze imposante viervoeters met flinke buikomtrek maar ook hun voermannen blijven op vele netvliezen gebrand. Hun koudbloedige lijven en donkerbollige, dampende uitwerpselen kleuren in gedachten nog steeds de landelijke wegen van toen.

Een speciaal geval
De witten van de brouwer was echter een raren, een eigenzinnig paard dat te slim was naar onze normen. Vooral wanneer het geen zin had om te werken (lees de bierkar trekken) kon het bijzonder humeurig uit de hoek komen. We liepen soms uren mee naast het biergetrek terwijl we achteraan de kar op en af sprongen. Raymond Houvenaeghel, onze bierventer vroeger brouwer, had er echter geen goed zicht in en waarschuwde om ongevallen te vermijden. Als jonkheid was hij het ook niet gewoon om steeds kinderen om zijn oren te hebben maar verdraagzaam was hij wel. Wanneer we dan toch eens samen met hem op de overdekte bok meereisden en de teugels in handen mochten nemen waren we de koning te rijk. Raymond kende het karakter van zijn paard blijkbaar goed maar toch raakte zijn bierkar een paar keren in de gracht omdat het dier wild om zich heen begon te stampen. Zo’n dier kende nu eenmaal het traject om naar zijn stal te stappen en daaraan veranderen kon bizarre gevolgen hebben. Dagen nadien werd nog gepraat van het wilde paard van de brouwer... en hijzelf kwam er gelukkig zonder veel kleerscheuren van af.
In de stille binnenkoer met grijze kasseien achter het statige brouwershuis waar alles steeds proper en blinkend voor de dag kwam, hoorde je het paard stampen in zijn stal.  Alles straalde hier degelijkheid uit, alleen dat witte paard zorgde voor een zekere anarchie of contrast. Brouwers waren toen geen gewone mensen en hun huizen vreemde oorden.
Raymond Houvenaeghel had ook een lijst verdienstelijke verantwoordelijkheden achter zijn naam staan. Naast voorzitter van het Izenbergs feestcomité, wat aardig pastte in de bevoorrading naar kermissen en feestelijkheden toe, was hij eveneens lid van de Kerkfabriek, de Herdenkingsvereniging voor Gesneuvelden uit beide Wereldoorlogen en zelfs het Schepenambt van Izenberge kende geen geheimen voor  deze persoon. Toen namen belangrijke mensen nog graag deel aan het sociaal-maatschappelijke discours in het dorp, de gemeente. Maar er was ook respect, net als voor de pastoor, de burgemeester en de nonnen van de plaatselijke kloostergemeenschap mocht onze brouwer rekenen op een trouwe aanhang.

En dan het bier... door kinderogen
De kleur en de smaak van het typische tafelbier herinner ik me nog heel goed. Wanneer het tijdens de zomer fris uit de kelder kwam, waren we er als de kippen bij om een grote fles met spankurk te ledigen. Het was wennen aan een ander merk toen Raymond zoveel jaren later zijn bierronde overliet aan een jongere bierventer. De kleine vrachtwagen waarmee die van klant naar klant reed, kon niet tippen aan de bierkar en het witte paard van weleer. Een stuk authenticiteit, smaakmaker van onze jeugdjaren verdween voor goed uit ons leven. [S.S.]

Vlamingen , gedenk de Slag aan de IJzer!

Fig. 09 – Soldaten aan het IJzerfront.

 

Ongetwijfeld heeft iedereen al via de media gehoord van de grote herdenking van de Groote Oorlog die tussen 2014 en 2018 n Vlaanderen en in de Westhoek in het bijzonder zal plaatsvinden. De voorbereiding van een ruim en gevarieerd programma houdt inmiddels de toeristische sector volop in haar ban. Belangrijke actoren zoals In Flanders Fields en het Memorial Museum Plassendaele 1917 staan alvast garant voor een degelijke inhoudelijke onderbouw. Het verhaal van oorlog en vrede houdt de zuidelijke Westhoek immers al decennialang bezig. Met de Elfnovembergroep gaven Jan en Marieke Hardemaan-Demeester in de jaren 1970 immers al een belangrijke voorzet, waarvan vandaag – in het bijzonder voor de zogenaamde Engelse sector –  nog altijd  resultaten geplukt worden. In de noordelijke Westhoek, dat grosso modo samenvalt met de zogenaamde Belgische sector, kwam de aandacht voor de materiële en immateriële getuigen van de Groote Oorlog echter pas decennia later en dan nog veel gematigder op gang. In vergelijking met de Engelse sector bleef de registratie van de kostbare mondelinge getuigenissen van hen die als oud-strijder, vluchteling of autochtone inwoner de Groote Oorlog hebben meegemaakt, er  – op enkele zeldzame notities na – uit.  Een belangrijke bron, die op haar beurt in de zuidelijke Westhoek aanzette tot aandacht voor de materiële relicten, ging aldus in grote mate voor de IJzerstreek verloren. Dat het verhaal van oorlog en vrede in de Westhoek en zijn ontsluiting dan ook wel eens als een toeristische prerogatieve van de zuidelijke Westhoek werd beschouwd, is niet onbegrijpelijk. Om het verhaal van het IJzerfront op een gediversifieerde wijze te kunnen ontsluiten dient immers nog veel onderzoek verricht. De wel nog beschikbare bronnen, zoals al dan niet uitgegeven dagboeknotites, archivalia van de toenmalige militaire en burgerlijke overheid, … laten ons niettemin  nog toe om ook aan de IJzer en het achterliggende Bachten de Kupe het verhaal van oorlog en vrede te brengen. Met het boek Bier aan het IJzerfront. Het verhaal van de dorst in de Grote Oorlog heeft het Mout- & Brouwhuis de Snoek dit trouwens recentelijk overduidelijk bewezen.  Met het schrijven van dit boek had het Mout- & Brouwhuis de Snoek immers twee betrachtingen, namelijk: enerzijds het latente erfgoedverhaal dat achter het Mout- & Brouwhuis de Snoek als unieke ‘oorlogs(brouwerij)site’ schuilgaat voor een breed publiek ontsluiten, en anderzijds met een concreet voorbeeld aantonen dat niet alleen de zuidelijke maar ook de noordelijke Westhoek, mits wat onderzoek, een uniek en gediversifieerd oorlogsverhaal te vertellen heeft. Deze boodschap genoot op de boekvoorstelling de ruime aandacht van Vlaams minister Geert Bourgeois, die trouwens de urgente nood aan onderzoek met betrekking tot de zogenaamde Belgische sector onderschreef. Als de Vlaamse, provinciale en lokale overheden in hun gezamenlijk programma voor de herdenking van de Groote Oorlog in 2014-2018 dringend ook een voortraject van voorbereidend wetenschappelijk onderzoek zou kunnen voorzien, wordt 2014-2018 alvast een geslaagde herdenking, waarop alle volksnationaliteiten, de Vlamingen en Walen incluis, die 100 jaar geleden hebben gestreden voor onze vrijheid, volwaardig welkom zijn. Of hoe een kleine speler als het Mout- & Brouwhuis de Snoek het geven van een voorzet misschien toch een kleine katalyserende rol kan spelen. [F.B.]


Herfstij betekent ook fruitpluk in de boomgaarden die her en der in het landschap nog te bespeuren zijn. Ongetwijfeld is de tijd dan ook rijp om onze bierliefhebbers eens te laten proeven van een lekkere en gezonde fruitsbeignets. Vandaar dit overheerlijke recept:

Ingrediënten (voor 4 personen) :

Bereidingswijze:
Vooreerst het deeg maken door de bloem, het bier en het snuifje zout te vermengen, eventjes (d.i. 3 min.) te laten staan (bloem of bier toevoegen tot het een dik maar vloeibare deeg is). Vervolgens de plakken fruit met deeg bedekken waarbij alle kanten goed met deeg bedekt zijn. Dit alles in het frituurvet laten bakken tot ze een goudbruine kleur bekomen . Tot slot laten uitlekken op keukenpapier en opdienen  met poedersuiker gemengd met een klein beetje kaneel.  [N.F.]

Colofon
Voor meer informative over het Mout- & Brouwhuis de Snoek zie de webstek: www.desnoek.be

Het Brouwbulletin v/h Mout- & Brouwhuis de Snoek is een digitale uitgave van de erfgoedvereniging Westhoek-Monumenten vzw en de (feitelijke dochtervereniging) Vlaamse confrérie Gilde van Sint-Arnold (maatschappelijke zetel: Fortem 40, 8690 Alveringem).
Aan deze nieuwsbrief werkten mee: Frank Becuwe (FB), Bernard Duflou (B.D.), Francis Duflou (F.D.), Nicole Feys [N.F.] Stefaan Sampers (S.S.) en – voor de fotografie – Paul Van Lindt.

v.u. Frank Becuwe, Clayhem Campagne, Wittepoortstraat 4, 8600 Keiem.